Van zwakte en ongeloof. Ze reiken mijn hand. Ze reiken niet verder dan dat.
Mijn verdriet smaakt bitter. Bitterder dan het gal dat je 's middags uitkotst. De vertering. Mijn hand is niet lang. Het schiet weg. Te kort.
Daar gaat het ongeloof. Voet aan voet. Zwak vooruit taffelend.
Mijn ogen kijken. Ze zien dat we weg sprinten. Kort van adem. Buiten longsgevaar.
Wie sprint, valt.
Bitter. Het smaakt toch lekker.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten